Reglement

KLASSE F3J THERMIEKZWEEFMODELVLIEGTUIGEN (KNVvL 2020)

Deze wedstrijd is een man tegen man wedstrijd voor RB-Zweefmodellen en bestaat uit verscheidene kwalificatieronden. Voor iedere kwalificatieronde worden de deelnemers ingedeeld in een verschillende groep. De scores van de deelnemers in iedere groep worden gerelateerd aan de score van de winnaar van de groep teneinde wisselende weersomstandigheden gedurende de ronde te elimineren. De deelnemers met de hoogste totaalscores uit de kwalificatieronden vliegen in één groep ten minste twee fly-off ronden om de uiteindelijke winnaar te bepalen. Het geplande aantal fly-off ronden wordt voor de start van de wedstrijd door de wedstrijdleider aangekondigd.

5.6.1. Algemene regels.

5.6.1.1. Definitie van een radio bestuurd modelzweefvliegtuig:
Een modelvliegtuig dat niet is uitgerust met een voortstuwingsinstallatie en waarbij draagkracht ontstaat door aerodynamische krachten op de vaste draagvlakken. Modellen, waarvan verandering van geometrie of dragend oppervlak mogelijk is, moeten in beide uitersten van het verstelbereik aan de specificaties voldoen. Het model moet door middel van radio bestuurd worden door een vlieger op de grond. Het gebruik van aan boord gemeten data om automatisch de stuurvlakken of de geometrie te veranderen, is verboden.

5.6.1.2. Montagebouw van de modellen Paragraaf 2.2.3 van Sectie II is voor deze klasse niet van toepassing.

5.6.1.3. Specificatie voor RB-thermiekzweefmodellen:
a) Algemene specificaties: Maximum totaal oppervlak: 150 dm2 Maximum massa: 5 kg Belasting betrokken op het totale oppervlak: tussen 20 en 75 g/dm2 Minimale straal van de rompneus: 7,5 mm
b) De radiobesturing moet gelijktijdig met andere radio’s kunnen werken met een tussenruimte van 10 kHz lager dan 50 MHz en 20 kHz tussenruimte boven 50 MHz. Wanneer de radio niet aan deze eis voldoet, dan dient de werkende bandbreedte (max. 50 kHz) door de deelnemer te worden gespecificeerd.
c) Ieder technologisch apparaat dat gebruikt wordt voor het overbrengen van informatie van de luchtomstandigheden of directe informatie van de vluchttoestand van het model tijdens de vlucht is verboden. Deze apparaten omvatten ieder zend- of ontvangstapparaat, dat niet gebruikt wordt voor de besturing van het modelvliegtuig (telefoons, walkie-talkies, telemetrie van vliegsnelheid en hoogte, enz.), temperatuur meetapparaten (thermische beeldcamera’s, thermometers, enz.), optische hulpen (verrekijkers, telescopen, enz.) en afstand-/hoogtemeetapparaten (GPS, laserapparaten, enz.). Telemetrie van signaalsterkte bij de ontvanger en toestand van de ontvanger batterij en GPS lokalisatie data die niet tijdens de vlucht aan de piloot of helpers wordt getoond noch gebruikt wordt voor de besturing, is toegestaan. Het gebruik van corrigerende brillenglazen, lenzen en zonnebrillen is toegestaan. Indien een overtreding van deze regel plaatsvindt, wordt de vlieger gediskwalificeerd voor de wedstrijd.
d) Iedere deelnemer mag 3 modellen inzetten tijdens de wedstrijd. (lokale regel)
e) De deelnemer mag onderdelen van de modellen onderling verwisselen, met dien verstande dat het uiteindelijke model dat voor de vluchtpoging wordt gebruikt, voldoet aan de gestelde eisen. De onderdelen moeten voor de start van de wedstrijd zijn gecontroleerd.
f) Ter wille van de loting voor de startvolgorde voor de opeenvolgende ronden, moet iedere deelnemer drie verschillende frequenties opgeven, met een tussenruimte van minimaal 10 kHz. De organisator mag elk van deze frequenties gebruiken om het vluchtenschema op te zetten. Op het moment dat de vlieger een van deze frequenties gegeven is, moet hij niet naar een andere frequentie wisselen gedurende alle vluchten van alle voorronden behalve in het geval van nieuwe startpogingen. In het geval van een nieuwe startpoging kan de vlieger gevraagd worden om een van deze drie frequenties voor alleen deze nieuwe startpoging te gebruiken, mits de vraag ten minste een half uur voorafgaande aan het begin van de nieuwe startpoging schriftelijk aan de vlieger gesteld is.
g) Alle ballast moet veilig vastgezet worden aangebracht binnen het modelvliegtuig.
h) Niet toegestaan is een vast of intrekbaar uitsteeksel (b.v. een bout, zaagtandachtig uitsteeksel), bedoeld om het model tijdens de landing op de grond af te remmen. Aan de onderzijde van het model mogen zich geen andere uitsteeksels bevinden dan de starthaak en aansturingsstangen e.d. van roervlakken. De starthaak mag frontaal niet breder zijn dan 5 mm en niet hoger dan 15 mm.

5.6.1.4. Deelnemers en helpers:
a) De deelnemer (vlieger) moet zelf zijn radio-installatie bedienen.
b) Iedere deelnemer (vlieger) mag drie helpers hebben. Indien een ploegleider nodig is, mag hij de deelnemer helpen. Maximaal 2 helpers zijn toegestaan bij het oplieren zoals omschreven in 5.6.8.2. (zie lokale regel starten met elektrische lier)

5.6.2.1. Het terrein De wedstrijd moet worden gehouden op een redelijk vlak terrein, dat een minimum aan mogelijkheden geeft tot helling- en/of golfvliegen.

5.6.2.2.
a) Op het vliegterrein dient een gemarkeerde startstrook van 6 m. breed met een centrale startlijn aanwezig te zijn. De startstrook wordt dwars op de wind geplaatst en moet voorzien zijn van startplaatsen op de centrale startlijn op ten minste 15 m afstand van elkaar, één voor iedere deelnemer van de groep
b) Het vliegterrein moet voorzien zijn van landingspunten, één voor iedere deelnemer van de groep. Ieder landingspunt behoort bij één van de startplaatsen en wordt op ten minste 30 m benedenwinds van de startstrook gepositioneerd. (zie lokale regel)

5.6.2.3. De middelpunten van de landing- en bonuscirkels en de basislijn moeten steeds zijn aangegeven. Door de wedstrijdleiding mogen de markeringen, die de omtrek van de cirkels aangeven, worden weggelaten en vervangen door andere methoden om de afstand vanaf het middelpunt van de cirkels te kunnen meten, bijvoorbeeld een meetlint.

5.6.2.4. Veiligheidsregels:
a) Contact met een voorwerp binnen de vastgelegde veiligheidszone (met inbegrip van de startcorridor) wordt bestraft met het aftrekken van 300 punten van de eindscore van de deelnemer.
b) Contact met een persoon binnen de vastgelegde veiligheidszone (met inbegrip van de startcorridor) wordt bestraft met het aftrekken van 1000 punten van de eindscore van de deelnemer.
c) Voor ieder vluchtpoging kan maar één straf gegeven worden. Indien tijdens dezelfde vluchtpoging een persoon en een voorwerp geraakt worden, dan is de straf van 1000 punten van toepassing. d) Straffen worden opgetekend op het scoreblad van de ronde waarin de schending plaatsvond.
e) Indien nodig mag de organisator een deel van het vlieggebied als veiligheidsgebied vastleggen. In dat geval moet hij tenminste één official benoemen die de grens (verticaal vlak) met een visueel systeem waarneemt. Deze official moet de vlieger waarschuwen indien zijn model de grens overschrijdt. Indien het model niet onmiddellijk het veiligheidsgebied verlaat, wordt een straf van 300 punten gegeven. (zie lokale regel)

5.6.3. Wedstrijdvluchten.

5.6.3.1
a) Er worden minimaal vier (4) kwalificatieronden gevlogen voordat de wedstrijd geldig is. Indien er meer dan zeven kwalificatieronden gevlogen zijn vervalt de laagste score voor de bepaling van de gezamenlijke score.
b) De deelnemer mag voor iedere officiële vlucht een onbeperkt aantal vluchtpogingen binnen de werktijd doen.
c) Er is sprake van een officiële vluchtpoging wanneer het model onder spanning van de startlijn de handen van de vlieger of diens helper heeft verlaten.
d) In het geval van meerdere vluchtpogingen is het resultaat van de laatste vlucht de officiële score. e) Alle vluchtpogingen worden getimed met twee stopwatches. Indien er geen officiële tijd is vastgelegd, heeft de deelnemer recht op een nieuwe werktijd in overeenstemming met de volgorde zoals genoemd in paragraaf 5.6.4.

5.6.4. Nieuwe startpoging.
De deelnemer heeft recht op een nieuwe werktijdperiode, indien:
a) zijn model tijdens de vlucht of gedurende de start in botsing komt met een ander model tijdens diens start.
b) zijn model tijdens de vlucht of gedurende de start in botsing komt met de startlijn van een andere deelnemer.
c) de startlijn van de deelnemer geraakt wordt door een ander model tijdens diens start.
d) de vluchtpoging niet beoordeeld is ten gevolge van een fout van jury of tijdopnemer.
e) zijn vluchtpoging is belemmerd of afgebroken ten gevolge van een onverwachte gebeurtenis binnen de eerste 60 seconden van de werktijd, buiten de controle van betreffende deelnemer. Lijnkruising is geen reden voor een nieuwe startpoging.
f) een startlijn (behalve zijn eigen) niet verwijderd was na de start en over zijn eigen lijn ligt.

Om een herstart onder de bovengenoemde omstandigheden te claimen moet de deelnemer er zeker van zijn dat de officiële tijdopnemer de belemmerende omstandigheid heeft waargenomen en zijn model na de gebeurtenis zo snel mogelijk landen. Let op dat indien de deelnemer doorgaat met starten of doorvliegt na de belemmerende omstandigheid die zijn vlucht beïnvloedde of herstart nadat de belemmerende situatie opgeheven is, hij zijn recht op een nieuwe werktijd opgeeft.

De nieuwe werktijd wordt de deelnemer toegekend in volgorde van prioriteit:
1. in een incomplete groep of in een complete groep op een extra startplaats/landingspunt, voor zover geen teamlid deelneemt in dezelfde groep;
2. indien dat niet mogelijk is in een nieuwe groep bestaande uit een aantal (minimaal 4) herstarters. Een nieuwe groep herstarters kan compleet gemaakt worden door loting tot een totaal van 4. Indien de frequentie of de ploegsamenstelling van de gelote deelnemer niet past of de deelnemer niet wil vliegen wordt de loting herhaald;
3. indien dat ook niet mogelijk is, met de originele groep aan het einde van de betreffende ronde.

In geval van mogelijkheid 2 en 3 is het beste van de twee resultaten van de originele vlucht en de herstart het officiële resultaat, behalve voor de vliegers die een nieuwe vluchtpoging toegewezen kregen. Voor hen is het resultaat van de herstart de officiële score. Een vlieger van de groep die geen herstart toegewezen kreeg, krijgt niet het recht voor een nieuwe werktijd indien hij gehinderd wordt. (zie lokale regel)

5.6.5 Neutralisatie van een vlucht en/of diskwalificatie.

5.6.5.1.
a) De vlucht is vervallen en wordt geregistreerd als een 0-score wanneer de deelnemer gebruik maakt van een model dat niet voldoet aan regel 5.6.1. In geval van opzettelijke of openlijke overtreding van de regels, mag naar het oordeel van de wedstrijdleiding de deelnemer worden gediskwalificeerd.
b) De vlucht wordt geannuleerd en geregistreerd als een 0-score, wanneer het model een onderdeel verliest gedurende de start, of de vlucht, met uitzondering van het verlies van een onderdeel bij een mid-air-collision of bij het raken van een startlijn.
c) Het verlies van een onderdeel in de landing (wanneer het model de grond raakt) valt niet onder de regel 5.6.5.1.b.
d) De vlucht is vervallen en wordt geregistreerd met een 0-score, wanneer het model wordt bestuurd door iemand anders dan de deelnemer.
e) De vlucht is vervallen en wordt geregistreerd met een 0-score, wanneer het model of een deel ervan niet tot stilstand komt binnen 75 m van het middelpunt van de aan de deelnemer toegewezen landingscirkel. (zie lokale regel)

5.6.5.2. Neutralisatie van een groep (alleen voor fly off ronden)
Gedurende de fly off ronden en voor de laatste groep van de kwalificatieronde heeft de wedstrijdleider gedurende de eerste 30 seconden van de werktijd het recht de betreffende groep te neutraliseren in situaties die tot een herstart volgens 5.6.4 a-e leiden. In het geval van 5.6.4 a-e plaats vindt gedurende de eerste 30 seconden van de werktijd dient de wedstrijdleider:
– de onmiddellijke neutralisatie van de groep duidelijk naar alle deelnemers verklaren;
– de werktijd te stoppen;
– alle deelnemers oproepen zo snel mogelijk te landen. Deze ronde zal zo snel mogelijk opnieuw gestart worden.

5.6.6. Organisatie van de wedstrijd (zie lokale regel voorafgaande beslissing doorgaan wedstrijd).

5.6.6.1. Ronden en groepen:
a) De indeling van de kwalificatieronden zal geschieden met in acht name van de in gebruik zijnde frequenties, zodanig dat er zoveel mogelijk vluchten gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd. Een groep bestaat uit minimaal 6 deelnemers. (zie lokale regel)
b) De indeling moet plaatsvinden in ronden, onderverdeeld in groepen. De indeling zal worden bepaald door een matrix-systeem dat situaties tot een minimum beperkt dat deelnemers meer dan eens tegen elkaar vliegen (zie 5.6.12.3). (zie 3x lokale regel)

5.6.6.2 Vliegen in groepen:
a) De deelnemers krijgen 5 minuten voorbereidingstijd die ingaat op het moment dat hun groep wordt opgeroepen om positie te kiezen op de aangegeven startplaats en eindigt met het ingaan van de werktijd van de groep. (lokale regel)
b) De werktijd voor alle deelnemers in een groep zal precies 10 minuten duren.
c) De wedstrijdleiding dient heel duidelijk de start van de werktijd aan te geven, zowel hoorbaar als zichtbaar (zie 5.6.12.1 voor details).
d) Hoorbare en zichtbare signalen moeten gegeven worden wanneer 8 minuten van de werktijd van de groep gepasseerd zijn.
e) Het einde van de werktijd moet heel duidelijk worden aangegeven door de wedstrijdleiding, net zoals bij de start.
f) Ieder model dat nog vliegt wanneer de werktijd is verstreken, moet zo snel mogelijk landen.

5.6.7. Zendercontrole.

5.6.7.1.
a) Deelnemers met 2.4GHz spread spectrum zenders mogen hun zenders bij zich houden tijdens de wedstrijd. Zenders die een andere frequentieband gebruiken, kunnen door de wedstrijdorganisatie ingenomen worden (zie ook ABR B.11.2, B.11.3 en B.11.4)
b) Indien een zender innamepunt nodig is voor AM/FM zenders, dan:
* Het niet inleveren van de zender voor de officiële start van de wedstrijd kan tot gevolg hebben dat de deelnemer voor de eerste vlucht uitgesloten wordt.
* De deelnemer moet zijn zender zo spoedig mogelijk na het beëindigen van iedere vlucht inleveren bij de aangewezen official (doorgaans de tijdwaarnemer).
c) De enige toegestane vluchten tijdens een wedstrijd, zijn de officiële wedstrijdvluchten. Behalve het testen van materiaal met een 2.4GHz spread spectrum zendsysteem mag enige andere zend- of vliegactiviteit enkel gebeuren na goedkeuring door de wedstrijdleiding.
d) Een straf van 300 punten wordt toegekend indien een deelnemer een niet geautoriseerde zend- of vliegactiviteit uitvoert, zonder de toestemming van de wedstrijdleiding. Indien een niet geautoriseerde zend- of vliegactiviteit leidt tot verwonding van een persoon of beschadiging van eigendom, zal de deelnemer gediskwalificeerd worden voor de volledige wedstrijd.

5.6.8. Start.

5.6.8.1 De wedstrijdleider stelt de startrichting vast. De start gebeurt zoveel mogelijk tegen de wind in en binnen de gemerkte startstrook (5.6.2.2.) uitgevoerd. Een vluchtpoging wordt met nul punten gewaardeerd indien het model buiten de startstrook wordt gestart.

5.6.8.2 Het starten van het model gebeurt door oplopen of met een lier.
a. Alle starts moeten plaatsvinden in een door de organisator aangewezen gebied waarin het mogelijk is tegen de wind in te starten. Alle starts moeten gemaakt worden met een elektrisch aangedreven lier die door de organisator of wedstrijdleider is goedgekeurd.
b. De bovenwindse keer rol, welke gebruikt moet worden, mag niet verder dan 150 meter van de lier staan. De hoogte van de as van de keer rol t.o.v. de bodem mag niet meer bedragen dan 0,5 m. Het loslaten van het model moet binnen 3 m van de lier geschieden. (lokale regel voor F3J : Het model wordt gestart binnen de startcorridor, zie 5.6.8.1). De lier moet voorzien zijn van een inrichting die uitvieren tijdens de start verhindert.
c. De lier moet zijn uitgerust zijn met een enkele startmotor. De startmotor moet van een serieproductietype zijn. Het is toegestaan de as voor het anker van kogel- of naaldlagers te voorzien. De trommel kan direct door de motor aangedreven worden of door tandwielen met een niet verwisselbare overbrenging. Iedere andere wijziging van de originele motor leidt tot diskwalificatie volgens paragraaf B.18.1. De opwindtrommel moet een vaste diameter hebben.
d. De energiebron is een 12 volts lood/zuur accu.
e. De accu moet de liermotor voeden door een magnetisch of een mechanisch startrelais. Het gebruik van enig elektrische component tussen de liermotor en de accu is verboden. De deelnemer mag tijdens de wedstrijd diverse delen uitwisselen mits de lier blijft voldoen aan de eisen.
f. De accu mag niet worden geladen in het lierengebied. De motor mag niet worden gekoeld en de accu mag niet worden verwarmd.
g. Het doel van deze regel is het liervermogen tijdens de lijnstart te limiteren. Daarom is het toepassen van de volgende componenten verboden: energieopslag componenten zoals vliegwielen, veren, gewichten, of pneumatische of soortgelijke componenten. De energie die in de lieraccu zit, de lijnelasticiteit en de geringe hoeveelheid energie van het ronddraaien van de motor en de opwindas zijn hiervan uitgezonderd.
h. De complete lieruitrusting (accu, kabels, schakelaar en motor) moet een totale weerstand hebben van minimaal 23,0 milliohm. De toegestane weerstand mag verkregen worden door een vaste weerstand(en) tussen de motor en de accu. Het ontwerp mag geen simpele mogelijkheid hebben om de totale weerstand te veranderen gedurende de lijnstart behalve het aan en uit schakelen van het circuit (b.v. door de weerstand(en) kort te sluiten).
i. De plus- en de minpool van de accu moet direct toegankelijk zijn voor het aansluiten van krokodillenklemmen voor spanningsmetingen. Een van de kabels van de accu (waardoor de totale stroom loopt) moet toegankelijk zijn voor een clampmeter.
j. Voor het meten van de spanning van de accu moet deze onbelast blijven gedurende ten minste 2 minuten (na eerdere tests of starts). Het meten van de circuitweerstand bestaat uit het registreren van accuspanning Ub onmiddellijk voordat het liercircuit gesloten wordt en het vastleggen van de stroom I300 en het voltage U300, 300 milliseconden (+-30 ms) na het inschakelen van het circuit. Gedurende de stroommeting mag de motor niet draaien.
k. Voor de test moet een digitale voltmeter worden gebruikt (nauwkeurigheid minder of gelijk aan 1%), die het mogelijk maakt de spanning te meten van de accu en de uitgangsspanning van de I/U omzetter 300 ms (+/- 30 ms) nadat de stroom is ingeschakeld. Voor het meten van de stroom is een clampmeter toegestaan (bereik 0-600 of 0-1000 A, nauwkeurigheid minder of gelijk aan 2%) of een gekalibreerde weerstand (0,1 milliohm, nauwkeurigheid minder of gelijk aan 0.5%) in de negatieve leiding van het circuit. De weerstandswaarde wordt berekend met de formule: Meting met klemtransducer: Rtot = 1000 x Ub/I300 Meting met shunt: Rtot = 1000 x Ub/I300 -0,1 (Rtot in milliohm, Ub in volt, I300 in ampere).
l. Een eerste meting wordt uitgevoerd om de juiste werking van het meetapparaat te controleren en wordt geschrapt. Drie achtereenvolgende metingen worden uitgevoerd met een interval van ten minste twee minuten na de vorige test of lancering. De totale weerstand van de lierinstallatie is het gemiddelde van deze drie (3) respectievelijke resultaten. Het voltage en de stroom moeten getoond worden om de totale weerstand met de hand te kunnen uitrekenen. Indien de totale weerstand automatisch bepaald wordt, dan moet dit gelijktijdig met het voltage- en de stroomwaarden getoond worden. De lierinstallatie wordt in overeenstemming van de regels verklaard indien de totale weerstand ten minste 23 mΏ bedraagt.
m. Bij de test van de lier voor de wedstrijd moet het voltage van de accu U300 groter of gelijk aan 9 V zijn; dit is niet van toepassing indien getest tijdens de wedstrijd.
n. De organisator moet minstens twee officiële officials benoemen, die de lieren met één meetapparaat, of enkele meetapparaten die bewezen gelijke resultaten opleveren, met een tolerantie van 0,5%.
o. Er moet een snelsluiting aanwezig zijn om in een noodgeval de stroomkabel los van de motor te halen. (Verbindingen moeten zonder gereedschap afneembaar zijn). Indien connectoren met snelsluiting gebruikt worden moeten beiden een snelsluiting hebben.
p. De vlucht wordt bestraft met 1000 punten indien de lier niet in overeenstemming is met de regels; dit is van toepassing op de vlucht voor de test. De 1000 strafpunten worden afgetrokken van de eindscore van de deelnemer en wordt weergegeven op het scoreformulier van de ronde waar de straf uitgedeeld werd. (Lokale regel voor F3J: de deelnemer wordt gestraft door vervallenverklaring van zijn vlucht).
q. Na het lossen van het model van de startlijn moet de lijn d.m.v. de lier direct opgewonden worden totdat de parachute bij de keerrol komt. Gedurende deze procedure moet de lijn geleid worden door een helper ter voorkoming van schade bij de lijnen van andere deelnemers. De lijn moet voorzien zijn een mogelijkheid zoals bij voorbeeld een metalen ring ter voorkoming dat het door de keerrol getrokken wordt. Daarna moet de lijn handmatig naar de lier gebracht worden. Een lier mag niet in werking gesteld worden indien de startlijn dwars over andere startlijnen op de grond ligt en een andere startlijn tijdens de start raakt.
r. De lijn (die van niet-metallisch materiaal moet zijn behalve de aansluitingen) moet voorzien zijn van een vlag met een minimaal oppervlakte van 5 dm2. Een parachute (5 dm2 minimaal oppervlakte) mag de vlag vervangen onder de voorwaarde dat deze niet verbonden is aan het model en buiten werking blijft gedurende het lossen van de lijn. Tijdens het volledig opwinden van de lijn op de lier moet de parachute, indien gebruikt, verwijderd of buiten werking gesteld worden.
s. Voor continentale en Wereldkampioenschappen mogen per ploeg gedurende de wedstrijd maximaal zes lieren en zes accu’s per volledige ploeg (drie vliegers) gebruikt worden. Uitwisseling tussen lieren en accu’s, waarbij de maximale weerstandregel gehandhaafd wordt, is de totale verantwoordelijkheid van de ploeg.

5.6.8.3
a) Oplopers mogen geen mechanische hulpmiddelen gebruiken anders dan een keerrol en een handlier om de lijn na de start op te rollen.
b) Onmiddellijk na het loskomen van het model van de startlijn moeten de helpers zonder oponthoud de startlijn inhalen op een handlier of, indien een keerrol wordt gebruikt, moet doorgegaan worden met lopen tot de startlijn geheel van het startgebied verwijderd is om kruisingen met andere lijnen, die op dat moment voor het oplopen gebruikt worden of zullen worden, te voorkomen. Dit is niet van toepassing bij lijnbreuk. In dat geval moet alleen het reststuk dat aan de grond vast zit of door de optrekkende helpers gebruikt is van het lanceergebied verwijderd worden. Een aangewezen official (optreklijnmanager) moet het startgebied overzien en controleren en, indien noodzakelijk, de optrekkende helpers vragen hun lijnen uit het lanceergebied te verwijderen nadat het model gelost is. De vlieger, wiens helpers de startlijn niet binnen 30 seconden na het lossen van het model verwijderen, krijgt een straf toegekend 100 punten. De straf van 100 punten zal een aftrek zijn van de eindscore van de deelnemer en wordt getoond op de uitslag van de ronde waarin de straf was toegepast.
c) Bij het oplopen met handbediende keerrollen moet in principe achter iedere keerrol een naar de keerrol gewelfd onbreekbaar schild met een diameter van minimaal 15 cm op veilige wijze bevestigd zijn om de oplopende helpers te beschermen tegen gebroken rondvliegende lijnen. In het geval van optrekken met een keerrol moeten twee helpers de keerrol bedienen en een van de volgende voorzorgsmaatregels moet getroffen worden: – de keerrol en het beschermende schild moeten bevestigd zijn aan een V-vormig koord van minimaal 5 mm dikte en waarvan de zijden een lengte tussen 1,5 en 3,0 meter hebben met lussen aan elke zijde; of – De keerrol en het beschermende schild moeten bevestigd zijn in het midden van een voldoende sterk juk (staaf of buis) van meer dan 80 cm lengte met handvaten aan elke zijde.
In het geval van optrekken met een keerrol, moet de lijn bevestigd zijn aan een grondanker dat met metalen kabels aan twee extra veiligheidspennen bevestigd is. De lengte van de hoofdpen moet ten minste 50 cm lang zijn vanaf de verbinding met de lijn. De veiligheidspennen moeten ten minste 30 cm lang zijn. De hoofdpen moet ten minste 40 cm diep in de grond gedreven worden. De verbinding met de lijn mag niet meer dan 10 cm boven de grond zitten. De afmetingen van het grondanker en de uitvoering ervan kunnen overeenkomen met de tekening volgens “Richtlijn ter keuring van de grondankeropzet”.

5.6.8.4 De wedstrijdleider zal een startgebied aanwijzen. De oplopers moeten binnen dit gebied blijven wanneer zij een model starten.

5.6.8.5 Het startgereedschap (haspel, keer rol, anker, indien gebruikt en alle andere uitrusting die gedurende de start gebruikt wordt uitgezonderd de startlijn met of zonder verbinding van maximaal 5 cm3 of 5 gram) mag tijdens de start nooit loskomen of door de deelnemer of zijn helpers losgelaten worden. De deelnemer wordt gestraft door vervallenverklaring van zijn vlucht en er wordt geen nieuwe vluchtpoging toegestaan.

5.6.8.6 Ieder model dat gestart wordt voordat de werktijd van de groep begint, moet zo spoedig mogelijk geland worden en opnieuw gestart binnen de werktijd. Wanneer aan deze regel niet wordt voldaan resulteert dit in een 0-score voor de betreffende vlieger in de ronde.

5.6.8.7 Startlijnen:
a) Dit betref het gebruik van optrekgereedschap.
b) De startlijnen voor iedere deelnemer moeten pas worden uitgelegd tijdens de voorbereidingstijd van 5 minuten voor die deelnemers en moeten voor het beëindigen van de werktijd verwijderd zijn.
c) De lengte van de lijn mag niet langer zijn dan 150 meter onder een trekbelasting van 20 N.
d) De lijn moet over de volledige lengte gemaakt zijn van polyamide monodraad materiaal. Het moet een wimpel met een minimum oppervlak van 5 dm² hebben. Een parachute met een minimum oppervlak van 5 dm² mag de wimpel vervangen, echter met dien verstande dat deze niet vastzit aan het model en tot op het moment van ontkoppelen inactief blijft. Verbindingsstukken (koppelingen, knopen, lussen, enz.) van verschillende materialen zijn toegestaan tot een totale lengte van 1,5 m. Dit binnen de totale lengte van 150 m.

5.6.9. Landing.

5.6.9.1 Voor de wedstrijd begint, moet de wedstrijdleiding een landingscirkel aan iedere deelnemer toewijzen. De deelnemer blijft zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de juiste landingscirkel.

5.6.9.2 Officials (tijdwaarnemers) moeten gedurende de werktijd voor de landing bovenwinds de 15 m radius cirkel blijven. De deelnemer en één helper mogen zich binnen de 15 meter cirkel bevinden.

5.6.9.3 Na de landing mogen de deelnemers hun modellen ophalen voor het eind van hun werktijd, vooropgesteld dat zij andere vliegers of vliegtuigen in hun groep niet hinderen.

5.6.10. Scores.

5.6.10.1 De vluchtpoging zal worden getimed vanaf het moment van ontkoppelen tot op het moment:
a) dat het model voor het eerst de grond weer raakt of
b) tot het moment dat het model een object raakt dat in contact is met de grond. Startlijnen worden niet aangemerkt als objecten die met de grond in contact staan of
c) dat de werktijd van de betreffende groep voorbij is.

5.6.10.2 De vluchtduur wordt in seconden tot op één decimaal nauwkeurig vastgelegd.

5.6.10.3 30 punten zullen worden afgetrokken van de vluchtscore wanneer het einde van de werktijd van de groep wordt overschreden met een maximale overschrijdingstijd van 1 minuut.

5.6.10.4 Een 0-score volgt op het overvliegen van de werktijd met meer dan 1 minuut.

5.6.10.5 Een landingsbonus wordt toegekend naargelang de afstand tot een door de organisator gemarkeerd landingspunt – zie tabel.

Afstand tot stip (m)/punten:
0,2      100               5         80
0,4       99                6         75
0,6       98                7         70
0,8       97                8         65
1,0       96                9         60
1,2       95                10       55
1,4       94                11       50
1,6       93                12       45
1,8       92                13       40
2          91                14       35
3          90                15       30
4          85                >15       0

5.6.10.6 De afstand voor de landingspunten wordt gemeten van de neus van het model in rust tot de landingsplaats die door de wedstrijdorganisatoren is toegewezen aan de vlieger.

5.6.10.7 Iedere deelnemer krijgt een wedstrijdnummer uit de matrix en dit behoudt hij gedurende de voorronden.

5.6.10.8 Als het model tijdens de landing de piloot en/of zijn helper(s) raakt worden er geen landingspunten gegeven.

5.6.10.9 Geen landingsbonus wordt gegeven wanneer het model de werktijd overschrijdt.

5.6.10.10 De deelnemer met de hoogste vluchtscore plus landing bonuspunten minus eventuele strafpunten, is de winnaar van de groep en krijgt een aangepaste score van 1000 punten.

5.6.10.11 De overige deelnemers in de groep krijgen naar verhouding een gecorrigeerde score gebaseerd op hun percentage van de score van de winnaar voorafgaande aan correctie (genormaliseerd voor die groep), waarbij de volgende rekenmethode wordt toegepast: vluchtscore deelnemer X 1000 hoogste vluchtscore in de groep (voor correctie) De gecorrigeerde score wordt vastgelegd (afgekapt) tot op één decimaal na de komma.

5.6.11. Eindklassering (zie lokale regels voor de fly-off in plaats van die in 5.6.11)

5.6.11.1 Aan het einde van de kwalificatieronden wordt een minimum van negen (9) deelnemers met de hoogste totaalscore in een groep geplaatst om de fly off ronden te vliegen. Naar het oordeel van de wedstrijdleider kan het aantal deelnemers voor de fly off vergroot worden.

5.6.11.2 De werktijd in de fly-off zal 15 minuten bedragen. Zoals ook in de kwalificatieronden zal een hoorbaar en zichtbaar signaal worden gegeven aan het begin van de werktijd en vervolgens op precies 13 minuten en aan het eind van de werktijd op precies 15 minuten.

5.6.11.3 De scores van de fly-off rondes zullen worden geteld conform regel 5.6.10.

5.6.11.4 De eindklassering van de deelnemers aan de fly-off wordt gevormd door de verzamelde totaalscore van fly-off. Bij gelijke stand van twee of meer deelnemers na de fly-off zal de uitslag voor die vliegers bepaald worden door hun respectievelijke posities bij de kwalificatierondes; de hoger geplaatste deelnemer krijgt een hogere eindpositie.

5.6.11.5 Voor het opstellen van een rangschikking voor internationale ploegen worden de individuele eindscores van de drie beste leden van de ploeg opgeteld. Ploegen worden volgens het hoogste naar de laagste numerieke score gerangschikt. In het geval van gelijke stand bij nationale ploegen, wint de ploeg met de laagste plaatsingscijfers, gerekend vanaf de top. Indien nog gelijk, beslist de beste individuele plaatsing.

5.6.12 Weersomstandigheden en onderbrekingen De maximale windsnelheid voor F3J wedstrijden is twaalf (12) m/sec twee (2) m boven de grond in het midden van de startstrook. De start van de wedstrijd moet uitgesteld worden of de wedstrijd moet onderbroken door de wedstrijdleider als de windsnelheid twaalf (12) m/sec drie (3) keer overschrijdt voor ten minste twaalf (12) sec in een tijdspanne van vijf (5) minuten bij het start en landingsgebied.

5.6.13 Adviserende informatie.

5.6.13.1 Organisatorische vereisten:
a) De organisatie zal zich vergewissen dat iedere deelnemer geen twijfel heeft omtrent de exacte tijd dat de werktijd van de groep begint en eindigt.
b) Een hoorbaar signaal kan een autohoorn, bel of omroepsysteem zijn. Denk er aan dat geluid niet ver tegen de wind draagt en overweeg de plaatsing van de geluidsbronnen goed.
c) Voor een eerlijke wedstrijd is het minimum aantal vliegers in enige groep vier (4). Naarmate de wedstrijd vordert, kan het zijn dat deelnemers om enige reden genoodzaakt zijn van verdere deelname af te zien. Wanneer dan een groep ontstaat met drie (3) of minder deelnemers, verschuift de organisatie een deelnemer van een latere groep, er voor zorg dragend dat hij in eerdere ronden niet gevlogen heeft tegen een van de anderen en dat zijn frequentie geschikt is.

5.6.13.2 Taken van de tijdwaarnemer:
a) De organisatie zal er zorg voor dragen dat ieder die de taak van tijdwaarnemer opneemt, zich bewust is van het belang van zijn taken en tevens dat de waarnemer vertrouwd is met de regels – met name deze die een snelle reactie vereisen om de kansen van de deelnemer niet in gevaar te brengen.
b) De tijdwaarnemers zijn verantwoordelijk voor het overdragen van de zender aan de deelnemer voor de aanvang van de werktijd en voor het terug inleveren bij de controlepost na afloop van de vlucht. (lokale regel)
c) De organisatie moet waarborgen dat een official aangesteld is om overschrijding van de werktijd door enige deelnemer vast te stellen en om de duur van de overschrijding te meten.

5.6.13.3 Groepen:
a) De samenstelling van de groepen moet situaties minimaliseren waarbij enige deelnemers meerdere keren tegen elkaar uitkomen, behalve bij de fly-off. Het wordt onderkend dat in de praktijk, bij bepaald deelnemersaantal of wanneer meer dan drie ronden gevlogen worden, dit soort situaties onvermijdbaar kunnen zijn. Dit moet echter tot een minimum beperkt worden.
b) Om de tijd, die een wedstrijd in beslag neemt, beperkt te houden, is het heel belangrijk de startvolgorde dusdanig in te richten dat het aantal groepen per ronde minimaal is en het aantal deelnemers per groep maximaal. Er wordt aangeraden de groepen met open startposities aan het einde van iedere ronde in te roosteren, om ruimte vrij te houden voor herstarts.
c) De startvolgorde moet waarborgen, voor zover mogelijk, dat er geen deelnemers van hetzelfde team in dezelfde groep vliegen.

ANNEX V.3.6 (2020)
LOKALE REGELS F3J WEDSTRIJDEN

5.6.1.3 d) Het is toegestaan meer dan 3 modellen mee te brengen, maar effectief mogen slechts 3 modellen ingezet worden.

5.6.1.4.b Slechts één aangewezen helper mag de vlieger coachen en tevens het model aanraken gedurende de werktijd. Bij gebruik van een elektrische lier bevindt zich altijd één helper achter de keerrol (vanuit de startstrook gezien) tijdens het starten. De derde helper mag uitsluitend de lier bedienen. Zie ook onderstaande aanvulling 5.6.5.1 f).

5.6.2.2.a Elektrische lieren worden gegroepeerd opgesteld, met extra 5 meter afstand tot aan het eerste team dat een oploopstart uitvoert. De vlieger moet zoveel mogelijk binnen de startstrook naar zijn beoogde landingsdoel lopen.

5.6.2.4.f) De keerrol en lier moeten veilig in de grond verankerd zijn. Indien de keerrol en/of lier loskomt van de opstelling of uit de grond getrokken wordt, krijgt de deelnemer 1000 strafpunten op de ronde score.

5.6.4 Men mag gedurende een vliegseizoen maximaal 1 keer ingeloot worden voor een herstart. Het weigeren van een herstart na inloting telt als herstart.

5.6.5.1.f De wedstrijdleiding stelt voorafgaand aan de wedstrijd vast of keerrolbewaking noodzakelijk is. Indien van toepassing: de vlucht is vervallen en wordt geregistreerd meteen 0-score, wanneer er bij een vluchtpoging met lierstart geen helper zich achter de keerrol (vanuit het startgebied gezien) bevindt.

5.6.6 De organisator beslist (en deelt mee) ten laatste om 20:00 voorafgaand aan de wedstrijd over het wel/niet doorgaan van een wedstrijddag. Naargelang de omstandigheden kan de wedstrijdleiding desnoods vroeger een beslissing nemen.
Criteria die in overweging genomen worden, zijn o.a.:
• Als de kans op neerslag hoger is dan 70% en de te verwachten neerslaghoeveelheid meer is dan 1 mm, gedurende ten minste 30% van de periode tussen 09:45 en 16:45 uur.
• En/of de windkracht voorspelling gelijk aan of hoger is dan 12 m/s nominaal (6 Bft), gedurende ten minste 30% van de periode tussen 09:45 en 16:45 uur.

5.6.6.1.a Een groep bestaat uit minimaal 4 deelnemers.

5.6.6.1.c De 5 beste teams worden ingedeeld volgens een 5*5 matrix. In deze matrix vliegen ze maximaal 1 keer tegelijkertijd per wedstrijd. Voor het bepalen van de 5 sterkste teams worden de individuele resultaten van alle NK-vluchten van de laatste twee jaar opgeteld.

5.6.6.1.d Gedurende de gehele wedstrijd wordt vanaf dezelfde lierpositie gevlogen.

5.6.6.2. a) De voorbereidingstijd bedraagt 3 min.

5.6.11 Fly-off (indien van toepassing) en eindklassering

5.6.11.1 a). Indien er bij een meerdaagse wedstrijd vijf (5) of meer kwalificatierondes gevlogen zijn, kunnen er nog één of twee fly-off rondes volgen. Het besluit tot een eventuele fly-off wordt genomen als de laatste ronde vóór 16:00 afgerond is (en er geen te voorziene belemmering is voor het voltooien van de laatste ronde). De fly off bepaalt de uitslag van de meerdaagse wedstrijd. Aan de fly-off nemen de 6 beste deelnemers van de kwalificatieronden deel. Aangezien er een aanzienlijke kans is dat deelnemers uit hetzelfde team samen de fly-off vliegen blijft de (voorlopig) best geklasseerde vlieger op zijn startpositie en wijken de overige teamleden uit naar een startpositie bij een ander (niet fly-off vliegend) team. Indien op een wedstrijd 8 of meer kwalificatierondes gevlogen worden, kan er één ronde geschrapt worden.

5.6.11.1.b) Het aantal deelnemers aan de fly-off wordt gelijkgesteld aan het aantal startplaatsen in betreffende wedstrijd.

5.6.11.3. Eindklassering: is de som van de ronde scores en vervolgens opnieuw genormaliseerd wordt 1000 punten en afgekapt op 1 decimaal.

5.6.13.2 b) Niet van toepassing tijdens het NK F3J.